Nieuwsarchief

 

Algemeen Overleg actieplan MBO, debat tussen de vaste kamercommissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Minister van Bijsterveld.

Hieronder wordt een overzicht gegeven van het verloop van het debat in de Tweede Kamer: eerste termijn van de Kamerleden, antwoord van de minister, tweede termijn van de Kamerleden en antwoord van de minister.

Eerste termijn

In de eerste termijn geven de partijen hun reactie op de inbreng van de minister (klik hier voor een overzicht van de agendastukken). De meeste aandacht gaat daarbij naar de thema’s (a) (macro)doelmatigheid, (b) organisatie van het onderwijs, (c) verhouding tussen algemene vorming en beroepsgerichtheid en (d) de positie van docenten. De (gewenste) rol van de stichting beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) komt bij verschillende thema’s aan de orde. Partijen hebben nog veel vragen over deze nieuwe stichting. Zo ging bijvoorbeeld GL uitgebreid in op het bestaansrecht van deze stichting (en de problemen hierbij). Hieronder worden de standpunten van de Kamerleden samengevat.

Korte toelichting:

(a) (Macro)doelmatigheid: moeten alle roc’s alle opleidingen aanbieden of moeten afspraken worden gemaakt tussen instellingen? Tot op heden wordt dat grotendeels overgelaten aan de markt (ook de niet bekostigde instellingen spelen hierbij een belangrijke rol), maar de meeste partijen willen dat de overheid op dit terrein een grotere rol gaat spelen. Genoemd worden de invoering van een licentiesysteem (VVD), het uitvoeren van doelmatigheidstoetsen (D’66), een (harde) regio-overstijgende benadering (PVDA). Over de noodzaak tot het instellen van een ‘onderwijsautoriteit’ zijn veel van de woordvoerders niet overtuigd. Het is nog onduidelijk welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden deze autoriteit moet krijgen.

(b) Organisatie van het onderwijs: onder deze noemer vallen meerdere onderwerpen. Het meest in het oog springende onderwerp daarbij is het verkorten van niveau 4 opleidingen (van 4 naar 3 jaar). Bij dit voornemen worden kritische kanttekeningen geplaatst. Je moet uitzonderingen mogelijk maken (VVD, CDA, SP). Meerdere partijen vinden de onderbouwing van dit beleidsvoorstel mager. De VVD vraagt bijvoorbeeld welke onderdelen dan geschrapt moeten worden. Over de invoering van de entreekwalificatie, toch ook een ingrijpende beleidswijziging, worden relatief weinig vragen gesteld (alleen door PVDA). Een ander complex en prominent onderwerp is de kwalificatiestructuur. Het CDA pleit voor flexibiliteit en terughoudendheid van de zijde van de overheid.

Andere onderwerpen waar vragen over worden gesteld hebben betrekking op de bekostigingssystematiek (CDA), doorlopende leerlijnen en stapelen van diploma’s (CDA, D’66, PVDA, GL), VAVO en leven lang leren (CDA, PVDA, D’66, SP, GL), benchmarking (CDA), onderwijstijd (D’66, PVDA, SGP, SP, GL), BPV (GL), examinering (SP, VVD, PVV), toezicht (VVD, SGP, SP, PVV), de OV-kaart en schoolkosten (SP).

(c) Verhouding tussen algemene vorming en beroepsgerichtheid. De minister besteedt in haar beleid veel aandacht aan de verbetering van taal en rekenen. De meeste volgers en partijen kunnen zich hier op zich wel in vinden, maar vele vinden dat de beleidsmaatregelen hun doel voorbijschieten en de  beroepsgerichtheid van de opleidingen in gevaar komt.

(d) De positie van de docenten. Hierbij gaat het onder andere om de bevoegdheidseisen die aan docenten worden gesteld. De VVD vindt dat de bevoegdheidseisen niet te rigide toegepast moet worden en docenten meer werkbezoeken moeten afleggen. De SGP vindt dat er meer expliciete aandacht nodig is voor de specifieke pedagogisch didactische vaardigheden van docenten in het mbo. De SP wil dat een groter deel van het budget naar de docenten gaat en pleit evenals GL voor meer aandacht voor de bevoegdheidseisen.

Antwoord van de minister

(a) Macrodoelmatigheid. Er komt een meldpunt waarnaar berichten gestuurd kunnen worden als er problemen zijn rond een bepaald(e) vak/opleiding en –indien nodig – nadere regelgeving. De minister houdt vast aan de regionale aanpak en geen landelijke aanpak (zoals in het hbo).  Binnen die regionale aanpak kan een onderwijsautoriteit een rol vervullen (er loopt een proef binnen drie regio’s). Deze autoriteit moet met de mbo-instellingen het gesprek aangaan over de vraag hoe reëel het probleem is dat een andere instelling ook met een bepaalde opleiding start. Mocht men er vervolgens niet uitkomen dan stelt de minister een wettelijke regeling voor arbitrage op nationaal niveau voor. Deze arbitrage wordt waarschijnlijk ondergebracht bij de SSB. Hier is veel bezwaar tegen, zoals bijvoorbeeld verwoord door de PVDA: “… men krijgt de regie over een aantal zaken, maar treedt niet op namens de minister. Ik wil de verantwoordelijkheid zuiver houden: bij de minister”.

(b) Verkorting niveau 4 opleidingen. De minister gaat uit van ‘nee (geen opleidingen van 4 jaar), tenzij (een opleiding daar een zeer goede reden voor kan aanvoeren)’.  Wanneer er sprake is van ‘tenzij’ (criteria) wordt tijdens het debat niet duidelijk. Voor de verkorting zijn drie redenen: leerlingen voelen zich weinig uitgedaagd, vinden dat ze te weinig zinvolle lesuren krijgen en omdat mbo-4 competitiever moet worden ten opzichte van havo. Bij de verkorting van mbo-4 hoort automatisch een intensivering (meer uren: 750 begeleide uren, 1.000 uren totaal). Beroepspraktijkvorming valt niet onder begeleide onderwijstijd. GL vraagt de minister waarom ze niet kiest voor een rustige en experimentele invoering van de verkorting (zoals ook door de Onderwijsraad is bepleit). De minister gaat het debat niet specifiek in op deze vraag. Ten aanzien van de introductie van de entrreeopleiding geeft de minister aan dat het vooral met imago heeft te maken.

(c) Ten aanzien van taal (Nederlands én Engels) en rekenen moet volgens de minister een inhaalslag worden gemaakt.  De minister en een aantal Kamerleden blijven van mening verschillen over de verhouding tussen algemene vorming en beroepsgerichtheid, zonder dat deze verschillen nu echt glashelder worden gemaakt. De minister zal de TK binnenkort nader informeren over haar beleidsplannen op het thema taal en rekenen.

(d) De minister vindt het zorgelijk dat er sprake is van zogenaamde downgrading: instructeurs nemen steeds vaker het werk van leraren over. Functiewaardering en flexibele beloning komt in het mbo volgens haar nog niet zo goed uit de verf. De sector (CAO partners) moet hiermee aan de slag, aldus de minister.

Tweede termijn

In de tweede termijn komen alle fractiewoordvoerders nog kort aan het woord. Hieronder een resume van de onderwerpen waar in de tweede termijn  aandacht voor wordt gevraagd.

VVD: rol SBB, oormerking en de positie van niet-bekostigde instellingen, BAPO en definiëring onderwijstijd.

CDA: uitvoering actieplan, EQF, Engels, certificeerbare eenheden.

D’66: beroepsoriëntatie leerlingen, VM2, definiëring onderwijstijd.

PVDA: consultatie sector, VM2, definiëring onderwijstijd, zorgleerlingen.

SP: toezicht, jaarrekening MBO Raad, bevoegdheidseisen leraren, schoolkosten.

PVV: jaarrekeningen, rol koepels.

GL: uitvoering actieplan, verkorting mbo-4, positie SBB, verkorting BPV, bevoegdheidseisen.

Antwoord van de minister

Tot slot van het debat gaat de minister in op de vervolgvragen die in de tweede termijn zijn gesteld:

Door meer efficiënte bedrijfsvoering van de instellingen zal geld vrijkomen. Werkbezoeken door docenten moeten door de scholen zelf worden geregeld. De problematiek rond de BAPO moet door werkgevers en werknemers worden opgepakt. De dubbele oormerking bij de volwasseneneducatie blijft overeind omdat het niet goed is budgetten te versnipperen. Het budget is voor roc’s beschikbaar voor ‘echte’ volwasseneducatie en laaggeletterdheid. Het servicedocument waarin onderwijstijd wordt omschreven wordt nog eens tegen het licht gehouden. Door de beleidswijzigingen is het evident dat er een nieuw bekostigingssysteem komt. Certificaten doen afbreuk aan de waarde van diploma’s en hebben derhalve geen toegevoegde waarde.

De overige punten worden uitgezocht, in beraad gehouden, met de sector besproken of komen bij de uitvoering van het actieplan aan de orde.

 Er kan geconcludeerd worden dat er geen ingrijpende beleidswijzigingen worden doorgevoerd. De beleidsplannen zullen op hoofdlijnen worden uitgevoerd conform de plannen van de minister. Duidelijk is echter ook dat deze plannen op een aantal belangrijke thema's nog weinig concreet zijn. Veel hangt af van de uitvoering van het actieplan. 

Aanwezige kamerleden: Jadnanansing (PVDA, voorzitter), Elias (VVD), Biskop (CDA), van der Ham (D'66), Dijkgraaf (SGP), Smits (SP), Beertema (PVV), Klaver (Groen Links) en Celik (PVDA).

Klik hier voor het volledige (ongecorrigeerde) verslag.

 
Website-homepage_contact