Het expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo) heeft in samenwerking met de Universiteit van Tilburg en organisatieadviesbureau Basis & Beleid een nulmeting verricht naar de participatie van docenten in de bve-sector op de inhoud en organisatie van het onderwijs. Het onderzoek laat zien op welke thema's docenten invloed uitoefenen, in welke fase van de besluitvorming, op welke manier, in welke mate en hoe de invloed wordt ervaren.
Vormen van participatie Er zijn meerdere vormen van participatie: direct, indirect en financieel. Bij directe participatie is de docent (of het team van docenten) zelf bij de besluitvorming betrokken, bijvoorbeeld in een teamoverleg. Indirecte participatie wordt ook wel aangeduid als medezeggenschap: de collectieve stem van de werknemers als tegenwicht tegenover de onevenwichtige machtsverdeling tussen werkgever en werknemer binnen de onderneming. Zowel de directe als de indirecte participatie komt in deze publicatie aan de orde. Het zwaartepunt van het onderzoek lag op het functioneren van de indirecte participatie in de bve-sector.
Opzet onderzoek Het onderzoek bevat drie onderdelen: ter oriëntatie is gesproken met een aantal experts en ervaringsdeskundigen en zijn relevante onderzoeken en documenten bestudeerd. In een volgende fase is onder docentenleden van medezeggenschapsraden (MR-en) van alle bve-instellingen (inclusief het groene onderwijs) een survey gehouden. Uiteindelijk zijn 122 ingevulde enquêtes gebruikt voor de analyse. Bij twee roc‟s en één aoc is vervolgens een casestudie uitgevoerd. We hebben op die instellingen gesproken met bestuurders, MR-leden en docenten. Op deze wijze hebben wij een beter (genuanceerder) beeld gekregen van het thema medezeggenschap, mede door twee onderwerpen uit te lichten die op dit moment zeer relevant zijn voor (medezeggenschap in de) bve-sector. Het gaat om het taakbelastingsbeleid en de invoering van competentiegericht onderwijs (CGO). De beschrijvingen van de casussen zijn in deze publicatie opgenomen.
Verkenning Aanleiding voor het onderzoek is de wetswijziging rond het thema medezeggenschap. De Wet medezeggenschap onderwijs (WMO) wordt vervangen door de Wet op de ondernemingsraden (WOR). Daarmee sluit de bve-sector aan bij de gang van zaken in de marktsector en veel publieke sectoren. De totstandkoming van deze wetswijziging heeft meer dan tien jaar geduurd (zie paragraaf 3.2). Een belangrijk verschil tussen de WMO en de WOR is de gedeeldheid van de medezeggenschap. Onder de WMO voeren personeel en deelnemers gezamenlijk overleg met de bestuurder. In de nieuwe situatie is dat gescheiden. De deelnemers zijn dan vertegenwoordigd via de deelnemersraad en het personeel via de ondernemingsraad (OR). De WOR is een algemene wet die geldt voor verschillende typen organisaties. De onderwijsinhoudelijke rechten van de OR staan hierin niet beschreven. Om ook dit type rechten te waarborgen, is gekozen voor een zogenaamd professioneel statuut; een afspraak tussen de werkgevers en de vakbonden. De bve-sector is de eerste onderwijssector waar zo'n statuut van toepassing is. Het professioneel statuut is vooral gericht op continue verbetering van de professionaliteit en de professionele ruimte.
Directe en indirecte participatie in beeld Van de respondenten is 80% man, de gemiddelde leeftijd bedraagt 53 jaar en 75% heeft als hoogste opleiding hoger beroepsonderwijs (hbo). We hebben gevraagd op welke wijze (meepraten, meedenken en mee beslissen) de MR invloed uitoefent op de inhoud en organisatie van het onderwijs. Over het algemeen zien we dat MR-en vaker mee mogen praten over de inhoud van het onderwijs, maar dat ze vaker mee mogen beslissen over de organisatie van het onderwijs. De MR is vooral betrokken bij de voorbereiding van beleid en veel minder bij latere fasen. De MR neemt nauwelijks zelf initiatieven als het gaat om de inhoud van het onderwijs. Dit gebeurt vaker bij de organisatie van het onderwijs, vooral als het gaat om taakbelastingsbeleid. De MR-leden zijn over het algemeen niet erg tevreden over hun invloed op de inhoud (cijfer: 5,7) en organisatie (cijfer: 5,9) van het onderwijs. De spreiding in de cijfers die respondenten gaven voor de invloed is vrij groot. Het minst tevreden zijn ze over hun invloed bij de implementatie van het competentiegericht onderwijs. De meeste MR-leden vinden wel dat de MR de belangen van docenten goed vertegenwoordigt. Ook geven ze aan dat door de invloed van de MR het college van bestuur (CvB) wordt genoodzaakt beleidsplannen bij te stellen als dat nodig is. We hebben de MR-leden via stellingen ook gevraagd naar de ervaren directe invloed van docenten. Over het algemeen vinden ze dat docenten weinig invloed hebben op de inhoud en organisatie van het onderwijs. Zo vindt ongeveer de helft van de respondenten dat de docenten niet of nauwelijks worden gestimuleerd om initiatief te nemen, dat ze niet of nauwelijks worden gevraagd bij te dragen aan de visie van de instelling, dat docenten niet worden gestimuleerd om met ideeën voor verbetering te komen en dat niet of nauwelijks bevoegdheden aan docenten wordt toegekend. Als cijfer voor de directe invloed van docenten geven de respondenten gemiddeld een 5,2 voor de inhoud van het onderwijs en een 5,0 voor de organisatie van het onderwijs. Dit sluit aan bij de uitkomsten van het in dezelfde periode door ResearchNed (in opdracht van het ministerie van OCW) uitgevoerde onderzoek naar zeggenschap van docenten. In vergelijking met andere onderwijssectoren geven weinig leraren aan een beslissende stem te hebben over onderwijskundige vernieuwingen, in het bijzonder over de invoering van het competentiegericht onderwijs. Ook blijkt uit dat onderzoek dat de besluitvorming onduidelijk is georganiseerd in het mbo en het hen ontbreekt aan zicht op de eigen mogelijkheden om inspraak te bieden. Het functioneren van de MR is de belangrijkste voorspeller voor het oordeel over de invloed van de MR, zowel in cijfers als in mate van tevredenheid. Dit betekent dat MR-en die beter functioneren (goede belangenbehartigers zijn, voldoende expertise hebben, zorgen voor betere beslissingen en indien nodig aanpassing van beslissingen, zorgen voor een reële invloed van docenten enzovoort), ook meer tevreden zijn over de invloed die zij hebben. De manier waarop de MR invloed uitoefent, heeft ook invloed op deze tevredenheid, maar in mindere mate. Het percentage tijd dat de MR besteedt aan de inhoud en de organisatie van het onderwijs speelt geen rol ten aanzien van tevredenheid. Dit betekent dat het vooral om de kwaliteit en niet om de kwantiteit van het MR-werk gaat.
Casestudies In hoofdstuk 4 staan de drie casestudies beschreven. De casestudies zijn bedoeld om beter zicht te krijgen op het functioneren van de medezeggenschap in de praktijk. Tussen deze studies zien we een aantal overeenkomsten en verschillen. Voor een niet onbelangrijk deel wordt het functioneren van de MR bepaald door de achtergrond van de mensen (expertise, ervaring met medezeggenschap en kennis van de bve-sector). Tevens is van invloed hoe de omgangsvormen zijn (tussen MR-leden onderling en tussen MR en bestuurder). Ook basishouding (samenwerken of „vechten‟), werkwijze (bijvoorbeeld actief versus reactief, formeel versus informeel, strategisch versus operationeel) en het ambitieniveau zijn van invloed op het proces van medezeggenschap. Het aantal leden van de centrale medezeggenschapsraad (CMR) varieert van zes tot achttien. Onder de CMR hangen deelraden (zij voeren overleg met de vestiging- of sectordirecteur) of in één geval een klankbordgroep. De bestuurders hebben ongeveer elke maand overleg met de MR. Bij één instelling is, mede door bestuurswijzigingen, gekozen voor een andere structuur van medezeggenschap waarbij MR en bestuur nadrukkelijk zo veel mogelijk samen optrekken. Bij alle casussen bleek het beleid rond taakbelasting een veelbesproken en controversieel onderwerp tussen MR en bestuurder. Bij de instellingen die we onderzocht hebben, is de invoering van het competentiegericht onderwijs ook een hot issue. Docenten hebben hier heel verschillende beelden bij. De CMR speelt in deze discussie een relatief bescheiden rol, omdat het onderwerp is gedelegeerd aan decentrale raden en docententeams. In het algemeen valt op dat in de CMR relatief weinig over onderwijsinhoud wordt gepraat, maar veel meer over arbeidsvoorwaardelijke zaken. Je zou kunnen zeggen dat de MR daarmee inspeelt op het creëren van randvoorwaarden voor professionele ruimte van docenten. Over de invloed van docenten waren de geïnterviewden over het algemeen vrij sceptisch. Het gevoel bestaat dat de binding van de docent met de organisatie afneemt en de afstand tussen bestuurder en werkvloer steeds groter wordt. Docenten hebben, gemiddeld genomen, vrij weinig belangstelling voor het werk dat door de MR wordt gedaan. Deelnemers zijn niet of nauwelijks betrokken bij de MR.
rapport medezeggenschap (pdf)
De bestuurders hebben ongeveer elke maand overleg met de MR. Bij één instelling is, mede door bestuurswijzigingen, gekozen voor een andere structuur van medezeggenschap waarbij MR en bestuur nadrukkelijk zo veel mogelijk samen optrekken. |