|
28/4 Kijk op beroepsonderwijs vanuit Den Haag (2)
Door het controversieel verklaren van een aantal onderwerpen (zie nieuwsbericht 12 maart) is een groot aantal vergaderingen geannuleerd. Vanaf a.s. vrijdag is de Tweede Kamer tot en met 10 mei met reces. De agenda voor de Vaste Kamercommissie is de komende periode erg rustig. Het enige inhoudelijk bespreekpunt is het werkprogramma van de Onderwijsraad dat op 20 mei om 11.00 uur in de Suze Groenwegzaal wordt besproken. Schoolbesturen, sectororganisaties en andere betrokkenen kijken vol spanning uit naar de verkiezingen op 9 juni en de gevolgen die dat heeft voor het beroepsonderwijs. Er is zeker (nog) geen groot vertrouwen dat de politieke partijen hun belofte om niet te bezuinigen op het vmbo en mbo ook daadwerkelijk nakomen. Gekoppeld aan een aantal complexe vraagstukken die de sector bezighouden (competentiegerichte onderwijs, bestuurbaarheid, aansluitingsvraagstukken, kwaliteit van het onderwijs, etc) kun je gerust spreken van onzekere tijden. Voor een overzicht van de standpunten van de politieke partijen over het beroepsonderwijs (concept verkiezingsprogramma's), klik op de onderstaande link.
Passage's uit de concept verkiezingsprogramma's van de grootste politiek partijen die relevant zijn voor het beroepsonderwijs (niet uitputtend):
PVDA Zwakke scholen nemen we actief op sleeptouw. Als het dan nog niet lukt, moet een zeer zwakke school onherroepelijk dicht. We verscherpen de exameneisen in het middelbaar onderwijs en stellen de betrouwbaarheid van diploma’s zeker.
De menselijke maat in het onderwijs krijgt veel aandacht. Een fusietoets moet de neiging tot verdere schaalvergroting temperen.
De aansluiting van het VMBO-t naar de HAVO moet beter, onder andere door in derde klas extra lessen aan te bieden in studievaardigheden en basisvakken. Doorstroming van VMBO naar MBO maken we soepeler door meer aandacht te besteden aan beroepsoriëntatie. Doorstroming van MBO naar HBO moet verbeteren door een hoger niveau van MBO4.
Kinderen en jongeren brengen hun sores elke dag mee naar school. Om te zorgen dat leraren aan lesgeven toe blijven komen, wil de PvdA de zorg in en om school beter organiseren. De zogenoemde Zorg- en Adviesteams op de scholen passen daarbij. Het schoolmaatschappelijk werk is in VMBO en MBO onmisbaar. Zorg en onderwijs moeten ook beleidsmatig goed samenvallen. Onderlinge inconsistenties tussen Jeugdzorg en Passend Onderwijs moeten we dan ook opheffen.
VVD
Het sluiten van slechte scholen neemt nu te veel tijd in beslag, wat niet in het belang is van de leerlingen. De snelheid waarmee een school gesloten kan worden moet daarom worden verhoogd. Subsidies die niet aantoonbaar bijdragen aan de verhoging van de kwaliteit van het onderwijs, worden bovendien afgeschaft
Wij willen aandacht voor ieders unieke talenten en mogelijkheden. Dat komt volgens de VVD het best tot zijn recht in kleinere klassen. Schaalvergroting is daarvoor geen voorwaarde. Financiële prikkels voor scholen om te fuseren worden daarom afgeschaft.
Dat betekent dat vakwerkscholen aantrekkelijker moeten worden voor talentvolle jongeren. Zij moeten het beste uit praktisch ingestelde leerlingen halen. Dat kan door minder bijvakken en meer vakonderwijs te geven. Het bedrijfsleven moet ook veel meer bij deze beroepsopleidingen worden betrokken
De start- en eindsalarissen van leraren moeten fors van elkaar kunnen verschillen. Ook is de VVD voorstander van gedifferentieerde beloning: een goede docent die aantoonbaar presteert moet ook meer verdienen. De VVD wil bovendien de kwalificaties van docenten voor de klas verhogen. Er worden daarom afspraken gemaakt over stapsgewijze verhoging van het minimum opleidingsniveau van docenten in alle onderwijssectoren, waarbij het doel is om meer academici voor de klas te krijgen.
CDA
Het merendeel van het onderwijs in het MBO wordt besteed aan beroepsgerichte vakken. Daarbij moeten ROC’s zich richten op hun kerntaak: kwalitatief goede lessen. Centra voor innovatief vakmanschap verdienen navolging als dit in het profiel van de ROC past.
Het beleid gericht op doorlopende leerlijnen wordt voortgezet. Dat geldt zowel tussen het VMBO en het MBO als tussen het MBO en het HBO.
De afgelopen jaren zijn veel vakcolleges tot stand gekomen. Deze geavanceerde “ambachtsscholen” zijn branchegericht en werken nauw samen met het regionale bedrijfsleven. Leidende principes zijn vaktrots en een respectvolle relatie tussen meester en leerling. Het CDA is er voorstander van dat meer ROC’s zich omvormen tot vakcolleges.
Verder moet de tijd tussen het eindexamen VMBO en de start van het MBO worden teruggedrongen. Dankzij de “Aanval op de uitval” zijn de afgelopen jaren honderdduizend jongeren alsnog aan een baan geholpen en deze aanpak wordt voortgezet.
PVV
Goed onderwijs wordt gevormd door gedreven docenten, goede leermiddelen en gemotiveerde leerlingen. Dit vormt het fundament van onze kenniseconomie. Nederland moet alles op alles zetten haar toppositie te behouden. Ons onderwijsstelsel kent grote uitdagingen. De afgelopen decennia is te weinig vooruitgang geboekt.
In het MBO is het onderwijs bij uitstek losgeslagen van haar doelstellingen. De afgelopen tien jaar heeft men zich te veel beziggehouden met fuseren en onroerend goed. De gebouwen glimmen, maar het diploma steeds minder. De overheid moet hier bij uitstek haar verantwoordelijkheid nemen, bijvoorbeeld door centraal te examineren op de kernvakken.
De ontwikkeling richting steeds grotere scholen is een verkeerde. Het competentiegericht leren, waarbij leerlingen ‘zelf verantwoordelijk zijn voor hun leerproces’ met concentratie op ongrijpbare competenties (zoals integriteit) in plaats van op kennis, is volledig verkeerd. Kennisoverdracht moet, zoals in het hele onderwijs, centraal staan. Managementlagen worden teruggedrongen.
D'66
Om goed te functioneren op de arbeidsmarkt is het voltooien van een MBO-opleiding op ten minste het niveau van een startkwalificatie van groot belang. D66 stelt voor om het halverwege verlaten van een MBO-opleiding financieel te ontmoedigen. Op die manier zullen MBO-studenten minder snel in de verleiding komen om zonder diploma van school te gaan.
Voor D66 is een betere beloning van het leraarsvak een randvoorwaarde voor kwaliteitsverhoging. Ook willen we differentiëren: een hogere beloning voor leraren in achterstandswijken en exacte vakken, die verder gaat dan het ‘Actieplan Leerkracht’ nu voorschrijft, om de structurele tekortenar weg te werken. En een leraar die zich bijschoolt mag dat merken in zijn salaris.Een betere kwaliteit en positie van leraren vraagt een professionelere school met meer tijd en ruimte voor onderwijs. Gediplomeerde docenten moeten zo veel mogelijk uren kunnen besteden aan het geven of ontwikkelen van onderwijs en niet aan vergaderingen, voorschriften en rapportages.
D66 wil in het basis-, voortgezet en beroepsonderwijs de kwaliteitsnormen vastleggen en verhogen. Dit geldt niet alleen voor taal en rekenen, maar ook voor burgerschap, kennis van de Nederlandse rechtstaat en de ontwikkeling van talenten bij kinderen. Zwakke scholen zullen vaker worden beoordeeld, besproken en begeleid door een versterkte Onderwijsinspectie.
(V)MBO scholen moeten het potentieel in iedere leerling willen ontdekken en ontwikkelen en de leerling klaarstomen en aanmoedigen voor de volgende stap. Daarom wil D66 een doorstroombonus: (VMBO scholen ontvangen een bonus wanneer hun leerlingen – nadat ze van school zijn – hogere en andere diploma’s halen.
Het aantal examenrichtingen op het VMBO kan omlaag: elke examenrichting moet duidelijk relateren aan een van de zestien MBO-richtingen. Bij tekortschieten mogen leerlingen een jaar langer blijven en hoeven zij in dat jaar niet alle vakken opnieuw tedoen, maar worden ze gericht bijgeschoold in de probleemvakken. Op het VMBO moet het mogelijk zijn om de studiekeuze langer uit te stellen. Scholen moeten meer aandacht besteden aan begeleiding.
SP
Goed onderwijs heeft bevoegde leraren nodig. En dus horen onbevoegde leraren in twee jaar hun bevoegdheid te halen. Lerarensalarissen stellen we landelijk vast. Gaandeweg komt er op elke basisschool extra ondersteuning, bijvoorbeeld via een schoolconciërge.
Schaalvergroting pakt vaak verkeerd uit. Scholen worden leerfabrieken, met weinig persoonlijke relaties en veel bureaucratie. Fusies tussen scholen gaan we streng toetsen en scholen krijgen de kans uit een volgens hen te groot schoolbestuur te stappen. We stimuleren de bouw van kleine scholen.
Het eindniveau van het mbo wordt centraal vastgesteld en er komen landelijke examens. Daarmee maken we invoering van competentiegericht onderwijs in het mbo overbodig.
Iedereen onder de 23 jaar leert of werkt. Zonder startkwalificatie hoort niemand het onderwijs te verlaten. Uitval in het voortgezet en beroepsonderwijs pakken we aan door intensievere begeleiding.
GROEN LINKS
Werken in het basis- en (voorbereidend) beroepsonderwijs wordt aantrekkelijker gemaakt. De werkdruk wordt verminderd. Leraren geven minder uren les, krijgen kleinere klassen en/of betere ondersteuning door klasse-assistenten, gespecialiseerde vakdocenten en conciërges. Zo krijgen docenten meer tijd per leerling.
Iedere leerling in het beroepsonderwijs heeft recht op een stage- of leerwerkplek. Daartoe worden scholen wettelijk verplicht om een stage- of leerwerkplek te regelen voor jongeren die dat zelf niet is gelukt. Scholen mogen geen enkele leerling van school laten gaan vanwege het ontbreken van een stage- of leerwerkplek. Bedrijven moeten per 50 werknemers minimaal 1 stage of leerwerkplek aanbieden.
Er wordt eerder ingegrepen bij opleidingen die als zwak worden beoordeeld. Van opleidingen die zeer zwak zijn wordt de onderwijslicentie na één jaar ingetrokken. Er komt een maximumnorm voor overhead en scherper toezicht op de financiën van instellingen. kleinschaligheid wordt gestimuleerd
Schooluitval wordt tegengaan door jongeren die dreigen uit te vallen een eigen coach of studiebegeleider te geven en beter samen te werken met de hulpverlening.
Scholen gaan beter samenwerken om de overgang van vmbo naar mbo te verbeteren. Het ineenschuiven van deze twee onderwijssoorten in bijvoorbeeld brede vakscholen wordt gestimuleerd.
CHRISTENUNIE
Om de eigen verantwoordelijkheid van scholen voor de kwaliteit van het onderwijs te benadrukken wordt in beginsel alleen nog met lumpsum budgetten gewerkt en worden projectsubsidies en geoormerkte gelden waar mogelijk afgeschaft.
Alle leerkrachten krijgen een talentenbudget om hun vak zowel inhoudelijk als didactisch te onderhouden. Initiatieven als de lerarenbeurs en de lerarenregisters worden gecontinueerd.
Bestrijden van voortijdig schoolverlaten door een betere aansluiting van VMBO op MBO, door het uitbreiden van 6-jarige vakopleidingen (zo mogelijk binnen het VMBO) en door likop-stuk beleid bij verzuim.
Verminder het aantal opleidingen in het MBO en stem het aanbod regionaal af met het bedrijfsleven en publieke instellingen. Het bedrijfsleven wordt aangemoedigd om te investeren in de opleidingen en onderzoek mede te financieren. Het bedrijfsleven mag echter niet het laatste woord hebben in het onderwijs: de onafhankelijkheid van scholen moet gewaarborgd worden.
Voortaan werken we met een twee stromen MBO: beroepsgericht en theoretisch. De beroepsgerichte opleidingen worden regionaal afgestemd met het bedrijfsleven. Hierbij heeft de onderwijsinstelling het laatste woord. De theoretische MBO opleidingen worden afgestemd met de relevante HBO instellingen om doorstroom te bevorderen.
|